vuilbek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuil·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuilbek vuilbekken
verkleinwoord vuilbekje vuilbekjes

Zelfstandig naamwoord

vuilbek m [2]

  1. iemand die veel vuilbekt
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
vuilbekken

vuilbek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuilbekken
    • Ik vuilbek. 
  2. gebiedende wijs van vuilbekken
    • Vuilbek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuilbekken
    • Vuilbek je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen