• ver·gas·ten
  • afgeleid van gast met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vergasten
vergastte
vergast
zwak -t volledig

vergasten

  1. overgankelijk iemand ~ op iemand als gast behandelen met een maaltijd of feestelijkheid
    • Daar werden we vergast op een heerlijk diner. 
vervoeging van
vergassen

vergasten

  1. meervoud verleden tijd van vergassen
    • Wij vergasten. 
    • Jullie vergasten. 
    • Zij vergasten. 
75 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be