vastzitten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastzitten
zat vast
vastgezeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

vastzitten

  1. absoluut onbeweeglijk gehouden worden
    • Die schroef zat erg vast, maar we hebben hem uiteindelijk toch losgekregen. 
  2. gevangen gehouden worden
     De man die vastzit vanwege de moord op de Japanse oud-premier Shinzo Abe heeft tegen de politie gezegd dat hij aanvankelijk een leider van een religieuze groep wilde doden, meldt het Japanse persbureau Kyodo. Zijn moeder zou financieel in de problemen zijn geraakt door donaties aan deze groep, die volgens de verdachte door Abe werd gepromoot.[1]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Verdachte van moord op oud-premier Abe had eerst ander doelwit” (09 juli 2022), NU.nl
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be