tweebenig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·be·nig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tweebenig tweebeniger tweebenigst
verbogen tweebenige tweebenigere tweebenigste
partitief tweebenigs tweebenigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tweebenig

  1. van een levend wezen dat het op twee benen kan lopen
  2. zowel je linker- als je rechter been kunnen gebruiken om te schieten bij voetballen
    • De tweebenige spits wat moeilijk tegen te houden. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be