treurig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • treu·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen treurig treuriger treurigst
verbogen treurige treurigere treurigste
partitief treurigs treurigers -

Bijvoeglijk naamwoord

treurig

  1. waardig beklaagd te worden
    • Dit was een ronduit treurige voorstelling van dit prachtige toneelstuk. 
  2. vol treurnis
    • Er heerste een treurige stemming. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be