transportbranche

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·port·bran·che
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transportbranche transportbranches
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

transportbranche v/m

  1. (transport) alle bedrijven die betrokken zijn bij het vervoer van goederen
     Andere keren ging hij nog verder en antwoordde hij op Mischa’s vraag wat deze mysterieuze dame voor de kost deed: ‘Ze werkt in de transportbranche.[1]
     Het Verenigd Koninkrijk heeft volgens de transportbranche een tekort van 100.000 vrachtwagenchauffeurs, waardoor ook de bevoorrading van tankstations moeizaam gaat. Dat tekort komt door de coronapandemie, de vergrijzende beroepsbevolking en de uittocht van buitenlandse werknemers na de Brexit.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Johan Harstad (vert. Edith Koenders en Paula Stevens) “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium  , ISBN 9789057598500
  2.   Weblink bron “Britse leger gaat vanaf maandag helpen bij bevoorraden van tankstations” (ZA 2 OKTOBER), NOS