• tra·cé
enkelvoud meervoud
naamwoord tracé tracés
verkleinwoord traceetje traceetjes

het tracéo

  1. tekening die de omtrek en hoofdlijnen van een ontwerp aangeeft
    • Ik verzamelde de naaipatronen, die toen als bijlage van door mijn moeder gelezen bladen als ‘Het rijk der vrouw’ geleverd werden. (…) Dan nam ik kleurpotloden en traceerde elk sub-patroon, aangegeven in een bepaald soort lijnvoering, met een kleur. Dat gaf voldoening. Maar de grootste voldoening kwam opzetten, wanneer ik alle patronen op juiste wijze (…) van een eigen kleur had voorzien, en zich voor mijn (als het ware afgewende) blik het totaalveld van over mekaar liggende patronen als één veelkleurig en veelgelaagd tracé zich openbaarde - maar toch nooit geheel vatbaar was. [4]
  2. (verkeer) verloop van een bepaalde verbinding door de omgeving, zoals die met een lijn op de kaart kan worden aangegeven
    • Nog tijdens de bouw van de dijken van deze polder startte het wetenschappelijk onderzoek naar het optimale tracé voor de Afsluitdijk. [5]
87 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[6]


vervoeging van
trazar

tracé

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van trazar