toenmaals

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toen·maals
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

toenmaals [1]

  1. destijds, toen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen