Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teug
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘slok’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord teug teugen
verkleinwoord teugje teugjes

Zelfstandig naamwoord

teug v/m

  1. een grote slok
    • Hij dronk het water met teugen tegelijk. 
     Voordat ik dit in één teug naar binnen goot, sloeg ik een kruis en wees in de lucht naar een denkbeeldige maan.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen