telling

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord telling tellingen
verkleinwoord tellinkje tellinkjes

Zelfstandig naamwoord

telling v

  1. de handeling van het tellen
    • We zullen een telling moeten houden. 
  2. het resultaat van het tellen
    • Deze telling klopt niet helemaal. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Werkwoord

telling

  1. onvoltooid deelwoord van tell

Zelfstandig naamwoord

telling

  1. gerundium van tell