tegelzetten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gel·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tegelzetten
-
-
onvolledig

Werkwoord

tegelzetten

  1. het aanbrengen van tegels op een wand
    • We moeten morgen gaan tegelzetten. 

Gangbaarheid