surprendre

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
surprendre
surprenais
surpris m, surprise v
derde groep volledig

Werkwoord

overgankelijk surprendre

  1. verrassen
  2. (iets onverwachts) overvallen
  3. betrappen (op een compromitterende situatie)
  4. misbruik maken (van iemands vertrouwen, het geloof in iemand)
    «Il a surpris la religion de ses juges.»
    Hij heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van zijn rechters.

Verwijzingen

  1.   Weblink bron surprendre in: Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 (1971-1994) op cnrtl.fr