• spreek·wij·ze
enkelvoud meervoud
naamwoord spreekwijze spreekwijzen
verkleinwoord

de spreekwijzev / m [1]

  1. manier van spreken; de manier van uitdrukken
     Hij was opgestaan, want de winkelschel was overgegaan en zei voor hij ging: 'je kent onze spreekwijze toch?' Er was familie op bezoek gekomen; tante sprak altijd of ze de tijd had en lachte onverwacht.[2]
  2. spreekwoord, gezegde, uitdrukking