slaapplek

Nederlands

 
een slaapplek
Uitspraak
Woordafbreking
  • slaap·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slaapplek slaapplekken
verkleinwoord slaapplekje slaapplekjes

Zelfstandig naamwoord

slaapplek v/m [1]

  1. een plaats waar je kunt slapen
    • Het was een ochtendgloren om nooit te vergeten. Onze auto was tijdens een hoosbui de avond ervoor van de weg gegleden en in een spleet beland. Muurvast. Er zat niets anders op dan een stuk plastic op de rode blubber te leggen, regenjassen als laken te gebruiken en proberen te slapen terwijl het onweer verderop dreunde en de jungle om ons heen ritselde. Toen de zon opkwam, scheerde een neushoornvogel laag over. Twintig meter van onze slaapplekstonden afdrukken van grote poten in de modder gedrukt. [2] 
     Het creëren van een slaapplek voor zeven personen viel nog niet mee.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 7 januari 2017
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be