scheepvaartbedrijf


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheep·vaart·be·drijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scheepvaartbedrijf scheepvaartbedrijven
verkleinwoord scheepvaartbedrijfje scheepvaartbedrijfjes

Zelfstandig naamwoord

scheepvaartbedrijf o

  1. (scheepvaart) een bedrijf dat schepen exploiteert
     Opvarenden van een veerboot tussen het Franse Duinkerken en het Engelse Dover moeten de nacht op zee doorbrengen vanwege de storm. De ferry van scheepvaartbedrijf DFDS Seaways met 239 passagiers kan door de harde wind de haven van Dover niet binnenvaren.[1]
     Het is het tweede schip in een week van scheepvaartbedrijf Zodiac dat wordt gekaapt. Zodiac heeft nog niets gehoord van de piraten die het schip St. James Park kaapten. Het is onbekend hoe het gaat met de 26 leden van de bemanning.[2]
  2. bedrijf dat betrokken is bij de scheepsbouw
     De inspectie SZW heeft voor bijna 3 miljoen euro boete opgelegd aan twee bedrijven. Het gaat om een Gronings scheepvaartbedrijf en een Cypriotisch bedrijf.[3]
     Het scheepvaartbedrijf IHC Merwede uit Sliedrecht heeft een order van ruim 1 miljard euro binnen van een Braziliaans bedrijf. IHC Merwede levert zes schepen voor de ontwikkeling van olievelden voor de kust van Brazilië.[4]


Synoniemen

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron
    NOS Nieuws
    “Ferrypassagiers blijven op zee” (Maandag 23 december 2013, 22:21), NOS
  2.   Weblink bron
    NOS Nieuws
    “Somalische piraten kapen twee schepen” (Zaterdag 2 januari 2010, 15:14), NOS
  3.   Weblink bron
    NOS Nieuws
    “Forse boete voor illegale arbeid” (Vrijdag 24 mei 2013, 13:37), NOS
  4.   Weblink bron
    NOS Nieuws
    “Mega-order voor IHC Merwede” (Vrijdag 9 augustus 2013, 08:26), NOS