schadepost

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·de·post
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schadepost schadeposten
verkleinwoord schadepostje schadepostjes

Zelfstandig naamwoord

schadepost m [1]

  1. post waarop men verlies lijdt
  2. onvoorziene onkosten
    • Softwarefouten schadepost van 1,6 miljard. [2] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen