rustperiode

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rust·pe·ri·o·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rustperiode rustperioden
rustperiodes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rustperiode v

  1. tijdsbestek waarin men minder actief is
     In de weekenden van de rustperiode worden er vijf in plaats van tien wedstrijden gespeeld in de hoogste Engelse divisie. Het ene weekend spelen tien clubs, het weekend erop tien andere clubs.[1]
     Vincent Gouttebarge pleit voor een minimale rustperiode van zeven dagen voor goed herstel van een hersenschudding: "Zeven dagen is een veilige periode, dat zou een grote verbetering zijn."[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Premier League voert mini-winterstop in” (08-06-2018), NOS
  2.   Weblink bron “Spelersvakbond FIFPro eist maatregelen FIFA tegen hersenschuddingen” (21-06-2018), NOS