remschijf

Nederlands

 
Een schijfrem voor een kraanof lopende band.
Uitspraak
Woordafbreking
  • rem·schijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord remschijf remschijven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

remschijf v/m [1]

  1. een deel van een remsysteem waarbij remblokken een aan de as verbonden schijf kunnen omvatten
    • „Geef ons een remschijf en we weten precies van welk materiaal hij is en hoe lang hij meegaat.” Gerben Feddes (45) werkt bij de RDW, de dienst die toeziet op de veiligheid van auto’s. [2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 2 juni 2016 2 juni 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be