reguleren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘regelmatig maken’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • afgeleid van het Franse réguler met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reguleren
reguleerde
gereguleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

reguleren

  1. overgankelijk aan oplegging van regels of besturing onderwerpen en het uitoefenen van toezicht op het uitvoeren hiervan
    • Deze knop reguleert de intensiteit van de straling. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen