regeringslid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ge·rings·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regeringslid regeringsleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regeringslid

  1. (politiek) iemand die deel uitmaakt van het landsbestuur
     Na het vertrek van de belangrijke ministers stapten nog enkele tientallen regeringsleden op. Daarna vroegen Britse politiek analisten zich af of Johnson hen wel allemaal kon vervangen.[2]
     De Nederlanders lijken er in deze vakantiedagen niet wakker van te liggen dat ze het al ruim vier maanden zonder volwaardige, want demissionaire, regering moeten stellen. Alleen regeringslid koning Willem-Alexander is niet demissionair.[3]
Hyponiemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  3.   Weblink bron Piet van Asseldonk “Alleen regeringslid Willem-Alexander is niet demissionair” (Zaterdag 29 juli 2017), NOS