radvormig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rad·vor·mig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen radvormig radvormiger radvormigst
verbogen radvormige radvormigere radvormigste
partitief radvormigs radvormigers -

Bijvoeglijk naamwoord

radvormig

  1. vorm van een rad hebbend
    • Ik kocht voor mijn vrouw een collier van Blauw Agaat van A-1 kwailiteit bestaande uit -38- parels, die radvormig zijn geslepen. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be