productiebos

Nederlands

 
productiebos
Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·duc·tie·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord productiebos productiebossen
verkleinwoord productiebosje productiebosjes

Zelfstandig naamwoord

productiebos o

  1. een bos dat beheerd wordt met een productiedoelstelling
    • Bij een productiebos in Schijndel is in het afgelopen weekeinde een enorme partij gerooide boomstammen gestolen. Volgens een woordvoerder van het betrokken bosbouwbedrijf gaat het om 53 ton hout. [1] 
    • Al snel betreden we het landgoed De Slotplaats waar in het voormalige landhuis nu een restaurant annex theehuis is gevestigd. Het landgoed heeft 250 jaar oude beuken en diverse vlonders om droge voeten te houden in het productiebos, dat langzamerhand wordt omgeturnd door het waterpeil te verhogen en inheemse bomen te planten. [2] 

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Algemeen Dagblad, 9 maart 2017: Mysterieuze diefstal in Schijndel: 53 ton boomstammen
  2. Joop Duijs, De Telegraaf, 25 april 2015: Wandelen in Bakkeveen: Friesland op z'n mooist