opletten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·let·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opletten
lette op
opgelet
zwak -t volledig

Werkwoord

opletten

  1. inergatief bij voortduring aandachtig zijn
    • Als je tijdens de les niet oplet, moet je niet vreemd opkijken dat je een onvoldoende krijgt. 
     De afdaling vanaf Sonora Pass viel me erg tegen, het pad was opvallend lastig met veel los gruis waardoor ik goed moest opletten om niet van de steile vulkaanhelling af te glijden.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be