onpersoonlijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·per·soon·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onpersoonlijk onpersoonlijker onpersoonlijkst
verbogen onpersoonlijke onpersoonlijkere onpersoonlijkste
partitief onpersoonlijks onpersoonlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onpersoonlijk

  1. niet persoonlijk; niet benaderd wordende als een individu maar als één van een groep
    • Iemand een noreply e-mail sturen is nog onpersoonlijker dan het sturen van een e-mail al is. 
    • Tijdens een ramp met veel slachtoffers moet je rekening houden met een onpersoonlijke zorg. 
     Een kwaad dat zo overduidelijk verkeerd is dat velen zich niet kunnen voorstellen dat het nog zo wijdverspreid is. Een probleem dat tot uiting komt in onpersoonlijke statistieken, in een log systeem waarvoor tegelijk iedereen en niemand verantwoordelijk is.[1]
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Haro Kraak “Waarin zit toch de witte angst om over racisme te praten?” (5 juni 2020), de Volkskrant
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be