monogaam
- mo·no·gaam
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘enkelvoudig huwend (van mens) of samenlevend (van dier)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
- met het voorvoegsel mono- en met het achtervoegsel -gaam [2]
stellend | vergrotend | overtreffend | |
---|---|---|---|
onverbogen | monogaam | monogamer | monogaamst |
verbogen | monogame | monogamere | monogaamste |
partitief | monogaams | monogamers | - |
monogaam [3]
- gehuwd (of samenlevend) met één partner (tegelijkertijd)
- Het woord monogaam staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "monogaam" herkend door:
98 % | van de Nederlanders; |
94 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "monogaam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ monogaam op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be