majuskel

1. Teksten geschreven in majuskels.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jus·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord majuskel majuskels
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

majuskel m

  1. letter met een rechtopstaande vorm zonder stokken die naar boven of staarten die naar onder uitsteken
    Oorspronkelijk een van de schriftsoorten waarin handschriften konden worden geschreven, tegenwoordig vooral gebruikt als hoofdletter aan het begin van namen of zinnen.
    • Een minuskel werd één keer - en wel bij een plaatsaanduiding - een majuskel: de dam (vs. 135) - de Dam. [4]
    • Duidelijk is in ieder geval dat dit Grieks een Aramees koloriet heeft, terwijl tevens vast staat dat dit bijzonder kleine werkje (de pagina's hebben een omvang van 3,5 bij 4,5 cm, met daarop meestal 23 regels in Griekse majuskels!) een meesterstuk is van de hoogontwikkelde manichese schrijf- en boekkunst. [5]
    • De boven-opschriften schynen ouder te zyn dan de beneden-opschriften, vooral op grond van de daerin voorkomende grieksche majuskel C, die althans aen berigtgever dezes in middeleeuwsche latynsche opschriften nog niet na de XIVe eeuw voorgekomen is. [6]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord majuskel majuskels
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als onzijdig woord.

Zelfstandig naamwoord

majuskel o

  1. document dat in kapitalen is geschreven
    • Zorgvuldig zijn toen de belangrijke nieuwtestamentische handschriften van majuskelschrift overgebracht in minuskelschrift. Aangenomen wordt dat na deze translitteratie het majuskel uit de circulatie werd genomen. [7]

Gangbaarheid

9 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[8]

Verwijzingen