lommerig


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lom·me·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lommerig lommeriger lommerigst
verbogen lommerige lommerigere lommerigste
partitief lommerigs lommerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lommerig [1]

  1. van een boom of struik dat hij schaduw verspreidt
  2. een schaduwrijke plaats
  3. met veel bladeren, bladerrijk, loverrijk


Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.[2]


Verwijzingen