kraagstuk

Nederlands

 
kraagstuk langs de Schelde-Rijnverbinding
Uitspraak
Woordafbreking
  • kraag·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kraagstuk kraagstukken
verkleinwoord kraagstukje kraagstukjes

Zelfstandig naamwoord

kraagstuk o

  1. (waterbeheer) zinkstuk dat de de oever én de bodem beschermt tegen wegspoelen
    • Om het vollopen van polders na een dijkdoorbraak te vertragen beveelt Visser een solide teenconstructie aan op het buitentalud van de dijk (dus aan de kant waar het water staat). 'Die zou uit een kraagstuk kunnen bestaan met bestorting en een teenopsluiting met damwand, opdat de bres niet te diep wordt. Verder legt het op regelmatige afstanden dwars in de dijk aanbrengen van moeilijk te eroderen constructies, bijvoorbeeld kleiproppen of damwanden, de groei van het stroomgat in de breedte aan banden. De huidige dijken hebben buitendijks vaak al teenconstructies, ter bescherming tegen het stromende rivierwater, maar of die bij een ramp heel blijven weet niemand.' [2] 
 
kraagstukken
  1. (bouwkunde) Schuin verbindingsstuk in de driehoek tussen muurstijl, korbeel en sleutelstuk in een balkgebint, tussen dakspoor en gewelfhout of tussen spantbeen en korbeel in een kapconstructie
    • Aan het gebouw zal er weinig veranderen. De loskade blijft, net als de metalen kraagstukken onder het zadeldak en de zinken dakbedekking. Om een tweede bouwlaag met kamers mogelijk te maken, worden in het dak kleine ramen gemaakt. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Dirk van Delft 12 december 1998 In de bres; Groei stroomgat in bezwijkende dijk beschreven
  3. De Standaard 4 november 2003 KORT
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be