kopspijker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·spij·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kopspijker kopspijkers
verkleinwoord kopspijkertje kopspijkertjes

Zelfstandig naamwoord

kopspijker m

  1. een kleine, vlijmscherpe spijker met een platte kop

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be