klaarleggen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaar·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klaarleggen
legde klaar
klaargelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

klaarleggen

  1. overgankelijk iets zo leggen dat het gereed is voor gebruik of het meenemen ervan
    • Ik had dat boek nog wel klaargelegd, maar toch vergeten. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be