kinderledikant


Nederlands

 
kinderledikant
Uitspraak
Woordafbreking
  • kin·der·le·di·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kinderledikant kinderledikanten
verkleinwoord kinderledikantje kinderledikantjes

Zelfstandig naamwoord

kinderledikant o [1]

  1. klein bed voor een kind
     Een bemost kinderledikant.[2]
     Maar bijna altijd zijn er blinden of jaloezieën voor de ramen. De Geertruida heeft die ook. Maar hé, ze zijn niet dicht! Gestaag vaart ze langs en ik kan zo naar binnen kijken in de woonkamer van een schippersgezin. Een tv, een zithoekje, een halfhoge afscheiding naar een keukentje. En dan zie ik in een hoek een kinderledikant. Onverwacht. Je denkt bij zo'n schip toch eerder aan een struis ouder echtpaar; hij met zijn doorwinterde kop in zo'n blauwe trui met rits, zij ook kordaat. Maar niet op de Geertruida. Een kinderledikant, dat overigens ook een box kan zijn. Maar het is leeg. Kleine teleurstelling.[3]
Verwante begrippen
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. A.F.Th. van der Heijden   “Tonio : een requiemroman” (2011), De Bezige Bij  , ISBN 9789023467014
  3.   Weblink bron Frank Poorthuis   “Madonna met kind, in een boot, onderweg van nergens naar ergens” (24-12-2020), Tubantia