ijsballet


Nederlands

 
ijsballet
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·bal·let
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsballet ijsballetten
verkleinwoord ijsballetje ijsballetjes

Zelfstandig naamwoord

ijsballet o

  1. kunstrijden op de schaats met muzikale begeleiding
    • Stage Holding, het theaterbedrijf van Joop van den Ende, huurt in juli het Muziektheater in Amsterdam voor ruim dertig voorstellingen van het ijsballet Sleeping beauty on ice. [1] 
    • Zijn vergrijp bestond eruit dat hij een bord omhoog hield met een citaat van een actrice uit de Sovjettijd: 'Homoseksualiteit is niet pervers, in tegenstelling tot hockey en ijsballet.' [2] 
    • De kür van de Duchesnays hoorde thuis in Holiday on Ice. Het was geen ijsdansen, het was show. Een machtige show, een adembenemende voorstelling. Maar een show. De vrije dans van Klimova/Ponomarenko hoorde thuis in het Bolsjoi-theater. Het was geen ijsdansen, maar ijsballet. [3] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen