hangplek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hang·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hangplek hangplekken
verkleinwoord hangplekje hangplekjes

Zelfstandig naamwoord

hangplek v / m

  1. plaats in de openbare ruimte waar personen (vooral jongeren en bejaarden) rondhangen
     Gebroederlijk pakten we elkaars handen vast en liepen de trap op van de enige winkel van het dorp, die ook dienst deed als centrale hangplek voor alle hikers.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. hangplek op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be