halfelf

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·elf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfelf
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfelf v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege tien en elf uur

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be