Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

gueule v

  1. (spreektaal) mond, bek
    «Ferme ta gueule ou je t’en colle une!»
    Hou je kop dicht of je krijgt een dreun!
    «Lui, il a la plus grande gueule du bahut!»
    Hij heeft de grootste bek van de school! [2]
  2. (spreektaal) smoel, gezicht
    «Elle a de la gueule ta bécane avec ce pot chromé.»
    Je motorfiets ziet er gaaf uit met die verchroomde uitlaat. [2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron gueule in: Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 (1971-1994) op cnrtl.fr
  2. 2,0 2,1 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 110