geluimd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·luimd
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: luimen…
verbogen vorm: geluimde

geluimd

  1. voltooid deelwoord van luimen
stellend
onverbogen geluimd
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

geluimd

  1. in de genoemde stemming verkerend
Hyponiemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen