gejubel

Nederlands

 
het gejubel van het publiek voor de langsrijdende koningin
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ju·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gejubel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gejubel o [1]

  1. voortdurend juichen
    • Het anti-populistische gejubel mag ook om een andere reden wat dimmen. Maar liefst drie volksmenners van Denk zijn de Kamer binnengeslopen. Dat zien al die blije anti-populistische feestvierders over het hoofd. De gladde agitatoren van Denk met hun programma dat slachtofferdenken en rancune langs etnische lijnen exploiteert, vormen een binnenlands gevaar.[2] 
    • Zijn schetsen met een knipoog sieren een nieuwe collectie slipjes. Het is een project van Wolinski'dochter Elsa. Dat had ze al met haar vader afgesproken voor diens gewelddadige dood, vertelde ze in het blad Elle. ,,Dat is een droom. Vrouwen die allemaal met een tekening van mij op hun kont lopen” , zou haar vader destijds hebben gejubeld.[3] 
    • Via een keizersnede kwam de baby ter wereld. Hij woog toen 1 kilo. Na drie maanden op de intensive care weegt de jongen inmiddels 3 kilo. Hij heeft geen serieuze gezondheidsproblemen, al is het te vroeg voor gejubel. „We moeten geduldig zijn”, zegt Krolak-Olejnik.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf NAUSICAA MARBE 16 mrt. 2017
  3. de Telegraaf 07 sep. 2016
  4. de Telegraaf 20 apr. 2016
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be