gebiedend

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bie·dend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gebiedend gebiedender gebiedendst
verbogen gebiedende gebiedendere gebiedendste
partitief gebiedends gebiedenders -

Bijvoeglijk naamwoord

gebiedend

  1. bevelend, commando's gevend, dwingend
    • De dictator kon alleen op gebiedende wijs tot zijn onderdanen spreken. 

Werkwoord

vervoeging van: gebieden
verbogen vorm: gebiedende

gebiedend

  1. onvoltooid deelwoord van gebieden

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be