erfwoning

Nederlands

 
erfwoning bij een parochie
Uitspraak
Woordafbreking
  • erf·wo·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erfwoning erfwoningen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

erfwoning v

  1. (bouwkunde) eenvoudige woning die gelegen is op het erf van een grotere andere woning
     Het schepencollege heeft een bouwvergunning gegeven aan Vooruitzien CVBA voor zes erfwoningen in gesloten bebouwing en vijf 'levenslange' woningen in halfopen bebouwing in De Laar.[2]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. erfwoning op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron kvh “Erfwoningen” (20 FEBRUARI 2009), De Standaard