doorschemeren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·sche·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorschemeren
schemerde door
doorgeschemerd
zwak -d volledig

Werkwoord

doorschemeren

  1. vaag zichtbaar zijn
    • De omtrekken van het schip schemerde door de mist heen. 
  2. samen met werkwoord laten: iets suggereren
    • De directeur liet zijn te nemen beslissing doorschemeren aan zijn naaste medewerkers. 

Gangbaarheid