djeroek
  • dje·roek
enkelvoud meervoud
naamwoord djeroek djeroeks
verkleinwoord - -

de djeroekm

  1. (plantkunde) boom of plant uit het geslacht Citrus   zoals die in Indonesië groeien, bijvoorbeeld Citrus × aurantiifolia   en Citrus hystrix  
    • Er stonden namelijk grote bomen als tandjoeng, djohar en boengoer en verder nog kleine bomen en heesters, zoals djeroek, delima, sokka, patjar koekoe, pisang en blimbing. [3]
  2. (voeding) vrucht van een citrusboom of citrusplant zoals die in Indonesië groeien
    • Ik weet nog de smaak van papaja, djeroek,
      Maar zuurzak is wat ik al jarenlang zoek;
      Toch heb ik die vroeger gegeten.
       [4]
15 % van de Nederlanders;
8 % van de Vlamingen.[5]