decalogus

Nederlands

 
decalogus
Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ca·lo·gus
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Grieks
enkelvoud meervoud
naamwoord decalogus decalogussen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

decalogus m

  1. (religie) de tien geboden zoals die in het Oude Testament staan geschreven
Synoniemen

Gangbaarheid

16 % van de Nederlanders;
19 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be