Hoofdmenu openen

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag·scho·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dagschotel dagschotels
verkleinwoord dagschoteltje dagschoteltjes

Zelfstandig naamwoord

dagschotel v / m

  1. (voeding) buiten de vaste kaart per dag verschillend, compleet gerecht in restaurants, voor een relatief lage prijs
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.