conversie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ver·sie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omzetting’ voor het eerst aangetroffen in 1619 [1]
  • afgeleid van het Franse (of het Engelse) conversion [2] (met het voorvoegsel con-) [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord conversie conversies
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

conversie v

  1. (medisch) omzetting
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen