caudaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cau·daal
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'cauda' (staart) met het achtervoegsel -aal

Bijvoeglijk naamwoord

caudaal

  1. (anatomie) met betrekking tot het (staart) uiteinde, ook gebruikt voor het onderste deel van ruggemerg
Vertalingen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be