bosplan


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·plan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosplan bosplannen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bosplan o

  1. plan voor de aanleg van een bos
    • De totale begroting voor dit ambitieuze bosplan bedraagt 65.000 euro. Mede dankzij deze bomenactie hopen 'de vrienden' alvast 17.000 euro aan dit project te kunnen bijdragen. [1] 
    • Wat hij dacht? Iets korts, misschien: “Tot hier. Klaar d’rmee.” Maar het was een pittige rekening die hij te vereffenen had. Hij verdroeg het bosplan, de bezetting, drie dochters en - o wee - het gekijf in een huis vol vrouwen. Geen druppel. Geen tik. [2] 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen