bospeen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·peen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bospeen bospenen
verkleinwoord bospeentje bospeentjes

Zelfstandig naamwoord

bospeen v/m

  1. kleine oranje wortels met het loof er nog aan vast
    • Tot slot: er zijn vruchten die zich wel thuis voelen in de koelkast, en juist die bewaren we daar vaak niet. Zoals appels? „Op de fruitschaal”, reageerden de collega’s unisono. Blozende appels op tafel (of de tafelsprei, zoals bij Toon Hermans), het zal wel traditie zijn. Maar appels blijven weken langer houdbaar in de groentela. Bij druiven, peren en - gek genoeg - rijpe avocado’s scheelt het ook dagen of weken. Bij bospeen ook, trouwens, vooral als je het loof eraf haalt. Dat stond niet zo duidelijk op die sticker van het Voedingscentrum. De wortel die níet in de koelkast moet, is de winterwortel. Had ik toch nog best goed voor mijn wapperpeentjes gezorgd.[1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Hester van Santen 30 oktober 2016
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be