boslucht


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·lucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boslucht bosluchten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boslucht v/m [1]

  1. de schone lucht van een bos
    • De vreugde was daarom vandaag des te groter toen Der Karl een paar stappen in het sprookjesbos zette en de frisse boslucht opsnoof die hem zichtbaar goed deed. Hij glimlachte er zowaar bij. [2] 
    • Hij weet niet beter, zegt hij, dan dat hij in Rekken zat vanwege zijn astmatische bronchitis. Het toen in Amsterdam wonende joch zou van de boslucht opknappen. “Zo heeft mijn moeder het verteld.” [3] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen