• bloot·leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blootleggen
legde bloot
blootgelegd
zwak -d volledig

blootleggen

  1. overgankelijk de laag die iets bedekt wegnemen
    • Bij deze graafwerkzaamheden werden de fundamenten van een oud kasteel blootgelegd. 
  2. openbaar maken
    • Als de oplichters in handen vallen van FBI-agent Richie (Bradley Cooper) zijn ze gedwongen om mee te werken aan een lokoperatie (Abscam) die corruptie in de Amerikaanse politiek moet blootleggen.[1] 
  3. openbaar maken
     Beiden waren ze diep gegaan, hadden hun ziel aan elkaar blootgelegd.[2]
     Was hij wakker? Wilde hij praten? Kon hij überhaupt wel praten? En waarover zou hun gesprek gaan? Werd het een voorzichtige, maar vooral nietszeggende conversatie met op de achtergrond Dorien die haar moment afwachtte? Of, in het onwaarschijnlijke geval dat haar schoonmoeder niet naast het bed zat, een diepgaand gesprek waarin ze een aantal van hun problemen blootlegden? Zowel het eerste als het laatste leek haar onlogisch.[2]


100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]