bloemkelk

Nederlands

 
de buitenste groene bladeren van een bloem
Uitspraak
Woordafbreking
  • bloem·kelk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloemkelk bloemkelken
verkleinwoord bloemkelkje bloemkelkjes

Zelfstandig naamwoord

bloemkelk m [1]

  1. de meestal gekleurde bladeren van de bloem
    • De Zweedse wetenschapper Carl Linnaeus choqueerde in 1729 behoudende kringen door de seksualiteit van planten te vergelijken met die van de mens. Hij schrijft over bloemen als ‘geslachtsorganen’, over bloemkelken als het ‘bruidsbed’ en de sensuele heerlijkheden van het bloemenbestaan. Is het bruidsbed met edele bedgordijnen gestoffeerd en met aangename geuren geparfumeerd, dan wordt het tijd „dat de bruidegom zijn geliefde bruid omhelst en haar zijn gaven offert”.[2] 
    • Satyrium pumilum heeft net als veel andere orchideesoorten geen meeldraden met stuifmeelkorrels (pollen), maar produceert pollinaria. Dat zijn pollenpakketjes op kleverige steeltjes. Die plakken aan een insect dat de bloem bezoekt. Getooid met een gele pollinariapruik gaat de vlieg op weg naar de volgende bloem. Daar zitten de stampers aan de bovenkant van de bloemkelk, zodat de pollenpakketjes er precies langsstrijken als de vlieg passeert.[3]  
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Kester Freriks 28 mei 2016
  3. NRC 17 maart 2011